leren en leven oftewel vallen en opstaan
Ik heb plusminus dertig jaar voor de klas gestaan. Daarin stond voor mij altijd één zaak als een paal boven water: Onderwijs draait om het leren van de leerling. Dus niet de docent staat centraal (typisch jaren zestig/zeventig) of de leerling (wat veel ouders nu willen) en ook niet de leerstof (didactiek en methodes), maar het leren en leven van de leerling en alles wat daarin stimulerend of remmend werkt. Ik heb lesgegeven van vwo tot mavo, van LTS tot gymnasium, van klas 1 tot en met klas 5, in dorpen en de grote stad, aan alle soorten tieners die je kunt bedenken en ze hebben allemaal veel geleerd, met vallen en opstaan.
Elk jaar weer komen er nieuwe groepen brugklassers de middelbare school binnen op (soms 10), 11- of 12-jarige leeftijd, zich wel beseffend, maar nog niet wetend wat voor enorme stap ze in hun ontwikkeling zullen gaan zetten de komende jaren. Sommige meiden hebben de hink en de stap al genomen op de basisschool en hoeven alleen nog maar de laatste sprong te wagen, sommige jongens moeten nog beginnen met de aanloop. Een paar jaar later spreek ik ze toe als mentor van een examenklas of zwaai ik ze uit als betrokken docent op 17-, 18- (soms 19-) jarige leeftijd. De kinderen die door de poort binnenkomen, verlaten als jongvolwassenen de school, nog niet uitontwikkeld en zeker niet uitgeleerd, maar wel al volledig in de maatschappij geworteld met een mening, een baantje, verenigingsleven, vriendschappen en toekomstperspectief en wat butsen en builen, want die krijg je er gratis bij.
Wat is mijn bijdrage precies in die vier tot ruim zes jaar dat deze jongeren bij mij op school zitten en mijn lessen volgen? Mijn belangrijkste vaardigheden en hopelijk ook inzichten die ik ze dan heb meegegeven, zijn: iets handigs doen met cijfers, iets met logisch redeneren, iets samen uitzoeken, iets met precies werken en volgens stappenplannen tot een oplossing komen, want, je raadt het al, ik geef wiskunde. Maar dat is slechts het middel, sommige getalenteerde leerlingen redden het ook zonder mijn uitleg. Tenminste, dat denken ze zelf, maar wanneer ze vastlopen of tegen een misconceptie aanbotsen, komen ze toch weer bij mij uit. En daar zit denk ik mijn belangrijkste bijdrage: Wat doe je als het niet lukt? Wat doe je als je vastloopt? Hoe ga je aan het werk zonder zin, ongemotiveerd of ongeïnteresseerd? Dan speelt jouw relatie met de leerling de grootste rol, jouw voorbeeldgedrag en jouw houding ten aanzien van willen en kunnen, in combinatie met jouw vakdeskundigheid en dan wordt het interessant.
Dus wat ik hoop dat ik mijn leerlingen vooral heb bijgebracht, is: leren vragen stellen, leren reflecteren, leren doorzetten, leren twijfelen, leren falen, leren successen vieren en/of genieten van het bezig zijn en leren loslaten. Misschien ook nog wel: leren keuzes maken, leren improviseren en leren weten dat je niet altijd alles hoeft te weten. En voor mij als docent om het verhaal van de leerling altijd serieus te nemen, maar mezelf niet al te. Dat laatste staat nergens geformuleerd in de taakomschrijving van een goede docent, net als dat nergens staat hoe jij op een jou passende manier in de praktijk een klas leidt, de orde handhaaft, empathisch bent en voldoende afstand houdt tot de levens en impacthebbende gebeurtenissen van jouw leerlingen. Hoe je zorg draagt voor het sociaal-emotionele welbevinden van jouw mentorleerlingen en daarover in gesprek gaat met hen en hun ouders en verantwoording aflegt aan jouw direct-leidinggevende. Maar je doet het allemaal wel of beter gezegd: je leert het als docent of mentor (of slb’er of coach of hoe je de leerlingbegeleider tegenwoordig ook noemt, toen ik begon was het nog klasseleraar, vind ik trouwens nog steeds een kwalificerend mooie titel) met vallen en opstaan en door er heel veel over te praten met elkaar. Dat is ook onderwijs, veel praten met elkaar, met en over je leerlingen, je manier van werken, je zorgen, je eigen twijfels, ja eigenlijk over het hele leven.
En binnen dit veelomvattende en altijd vervullende werk heb je ook nog de leerling speelruimte te geven om te experimenteren: met gedrag, met kleding, met communicatie naar leeftijdsgenoten en docenten, want dat hoort bij deze levensfase, waarin de een makkelijk huppelend en springend de overkant (het vervolgonderwijs, want je bent nooit uitgeleerd) bereikt en de ander hink-stap-struikelend soms net niet. Onderwijs draait om het leren én het leven van de leerling, dat heb ik in dertig jaar met zekerheid kunnen vaststellen en nu ik na een sabbatical redelijk van mijn eigen butsen en builen hersteld ben, heb ik er weer zin in om me daar nog tien jaar aan te verbinden.
Ido, 3 september 2024