Op zoek naar de Graal H2 Uit huis gaan deel 2

Ido Rood

Share Post:

Over de tocht van Perido de Rode Ridder of hoe moederszonen mannen worden

Op een zonovergoten dag waardoor de lichtstralen zelfs binnen in het dichtst begroeide stuk woud van Soltane de grond haalden, vond ook het lot zijn bestaansrecht. Perido liep in zijn felgekleurde tuniek en bijpassende maillot door het woud op zoek naar de laatste zang van de vogels voor ze vertrokken. Het was stil geworden in het woud, de zomer liep al op haar eind en alleen de kleine karekiet liet soms wat van zich horen. Perido volgde meestal de wissels van de herten, omdat hij zich op die smalle slingerpaadjes echt één met de natuur voelde. Toen hij wat takken opzij boog om een groter pad over te steken bleef hij stokstijf stilstaan. Daar kwamen met golvende bewegingen schitterend in de zon drie gedaantes recht op hem af. Hij schrok, hij kon alleen maar met open mond toekijken. Tot hij zich bedacht wat zijn moeder hem laatst had verteld over God. God is almachtig en heerst over hemel en aarde, is schitterend als de zon en duister als de nacht. Dit moesten wel drie goden zijn die op hem afkwamen, ze werden ook steeds groter. Hij knielde en vroeg smekend om genade.

Toen de ridders Iwan, Gerard en Merlijn vlak bij hem waren, stopten hun paarden als vanzelf en nam Merlijn het woord. Je zult wel denken: Ridder Merlijn? Hij is toch de grote witte magiër? En dat klopt helemaal, dit is een list van Merlijn. Hij heeft zichzelf betoverd en is daardoor veranderd in een grote sterke ridder in een schitterend zilverwit harnas. Hij wist dat Perido deze winter 16 jaar oud en daarmee volwassen zou worden volgens de Welse regels. En omdat Perido gedoemd was de graalkoning te worden, moest hij hem voor zijn 16e zover zien te krijgen om zich te bewijzen en aan te sluiten bij de ridders van de ronde tafel aan het hof van koning Artus. ‘Hij is te mooi voor een boerenknecht en te bont gekleed voor een edele, maar hij lijkt me geen nar’ sprak Merlijn glimlachend tegen de andere ridders. ‘Wie ben jij jongeling?’ vroeg hij daarna vanuit de hoogte. ‘O God, o grote god,’ stamelde Perido ‘vergeef me dat ik op uw pad kwam, ik ben het niet waard naar u op te kijken, doe mij niets alstublieft.’ En na een paar snikken en ademhalingen: ‘Ik hou zo van de vogels dat ik ze wil vangen en ik schiet alleen kleine dieren dood, vergeef me, vergeef me Grote God!’ De andere ridders keken elkaar niet-begrijpend aan en lachten hard. Wat hadden ze hier nu aan hun zadel hangen? Een halve zot? Een stuk onbenul met wapperend rood haar als de staart van hun paard? Of was het een list? Voor alle zekerheid trokken ze hun zwaarden met een felle flits van weerkaatsend zonlicht. Perido wist het nu zeker, dit waren drie goden die de zon de baas waren en magische wapens droegen. Hij knielde opnieuw en bibberde. Merlijn hief zijn hand en beval ridder Gerard en ridder Iwan hun zwaarden terug te steken en af te stijgen.

Merlijn ging tegenover Perido staan en vroeg hem omhoog te komen en te luisteren. ‘Je ziet er uit als een sterke, knappe jongeman,’ sprak hij rustig ‘die vast van edele afkomst is. Wij, de ridders van de ronde tafel, kunnen jongmensen zoals jij heel goed gebruiken. De ridders van de ronde tafel is een genootschap van edele lieden die mens en dier beschermen en vrede op aarde nastreven.’ Gerard en Iwan bromden iets instemmends in hun snor respectievelijk baard en ontspanden een beetje. ‘Dus ik zeg, kom snel, voordat je volwassen bent en misschien uitgedaagd wordt door andere levensbehoeften Perido. Kom naar het hof van Koning Artus, wij heten je daar van harte welkom!’ En terwijl Perido nog steeds verstijfd en verbluft bleef staan, bestegen de mannen kalm hun volbloedpaarden en reden schitterend en stralend het bos uit, richting de verre heuvels. Perido was zo zeer onder de indruk van dit voorval, dat hij niet doorhad dat Merlijn zich versprak. Want hoe wist die grote witte ridder (geen God) zijn naam? Hij had zich niet voorgesteld, hij had het niet gedurfd. Met zijn haar en zijn gedachten volledig in de war haastte Perido zich naar huis om zijn moeder en zussen te vertellen van deze bijzondere ontmoeting. Hij had Goden gezien, nee, Ridders gezien! Zou dat niet gewoon hetzelfde betekenen? Voordat hij thuis was, had hij zijn besluit al genomen. Morgen zou Perido vertrekken naar het hof van Koning Artus om ridder te worden, een edele man die de zwakkeren beschermt. Ja, dat is wat hij wilde, dat was echt zijn levenslot.

Hermelijne werd steeds stiller en trok langzaam maar zeker wit weg, tot ze flauw viel midden in een zin van de opgewonden vertellende Perido. De zussen snelden toe en hielpen hun moeder op een mooie bank naast de schouw. Toen ze bijkwam, was haar stem gebroken en kon ze alleen nog maar stamelen. ‘Ridders …, ridders, bloed en zwaarden, Perido nee, niet …, niet, ga niet … mijn zoon.’ Daarna kon ze alleen nog maar huilen en bibberen. Zo huilde ze zichzelf in slaap. Margaretha was boos, Hendrika vooral in de war en de middelste zus Johanna bleef bewegingloos naar haar broertje staren.

Het was een broeierig warme nacht waarin Perido de slaap niet kon vatten. Hij woelde in zijn bed op de zolderkamer tot hij de eerste vogels hoorde, toen stond hij op. Hij trok schone kleren aan en zag naast zijn zelfgemaakte snavelschoenen een knapzak staan. Hij moest toch ergens vannacht even weggedommeld zijn, want hij kon zich niet herinneren dat er iemand op zijn kamer was geweest. Toen hij erin keek zag hij brood, groenten, een drinkfles en een glimmende dolk met het wapen van koning Eduard erop. Zou zijn moeder dit klaargezet hebben? Perido pakte zijn spullen en een extra deken en sloop het grote huis uit naar de stallen. Omdat ze op Soltane alleen land bewerkten, had de stalknecht ossen, werkpaarden en een ezel op stal staan. Perido koos voor Zalman de ezel, een dier waar hij al jaren goed bevriend mee was. Hij zadelde de ezel op en vertrok lopend naast Zalman in alle vroegte het landgoed Soltane. Perido zou pas ruim een jaar later bij een kortstondig bezoek te horen krijgen dat zijn moeder die winter aan hartenpijn overleden was. Ze had vanaf de dag van de ontmoeting met de ridders geen zinnig woord meer gesproken en elke dag gehuild, tot ze helemaal stil werd en stopte met eten. Op haar graf naast de boomgaard stonden het schild met het anker en het zwaard van Koning Eduard langzaam te verroesten.

Ido, juni 2020