‘Trrringgg!’ Er wordt aangebeld. Ik loop de gang in en open de voordeur. Een grote zwarte schim vult de hele deuropening. Ik schrik! En gelijk denk ik: oja, ik heb de dood uitgenodigd voor een goed gesprek bij een sterk glas bier. Ik nodig hem met onzekere stem uit om binnen te komen. Een jas heeft hij niet. Zijn zeis zet hij op mijn verzoek toch maar in de paraplubak. We twijfelen bij de keukentafel. Nee, luie stoel en een winterbiertje, dat doen we. Ik merk dat ik nog natril van de blik op de dood bij de voordeur. Langzaam kom ik tot mezelf en op gang, check of ‘we’ lekker zitten en begin het gesprek.
‘Dood,’ of als eerste vraag: ‘Hoe wil je, euh u, dat ik je, u aanspreek?’ Hij begint te praten met een onverwachte rust en een diep, warm timbre in zijn stem. ‘Noem me zoals je wil, Ido, ik ben voor iedereen een ander en toch precies dezelfde dood.’ Zijn stem klinkt als één van de vele geleide meditaties die ik soms via mijn oortjes afluister, rustig, vriendelijk, ik zou zelfs willen zeggen: troostend. ‘Ik weet ook dat ik je al mijn hele leven ken, Dood, en toch ben je een vreemde voor me. Ik hou je liever buiten de deur.’ Ik merk dat ik me begin te ontspannen, eerst mijn bovenbenen en billen, gevolgd door mijn onderrug en buik. Die spanning ken ik, dat is mijn alertheid die wijst op mijn bangzijn als kind. Bang voor mijn dominante vader, die vaak onvoorspelbaar en onbereikbaar en daardoor onveilig was voor mij. Dit koppel ik dus blijkbaar aan doodsangst. Mijn vader was ook echt bang voor de dood, tot op z’n sterfbed. Bang voor de dood en bang om te stikken. Toch weet ik ook dat ik vanuit die angst en alertheid de vlucht in mijn fantasie heb gemaakt, mijn eigen veilige droomwereld heb gecreëerd. En die redding is tevens mijn bron van schrijven en aanvoelen geworden. Door daar in het hier en nu mee contact te maken, kan ik mezelf de steun geven die ik zo gemist heb. Ik richt me wat meer op en kijk Dood doordringend aan, ik zet door.
Met iets meer soepelheid in mijn lijf stel ik Dood zo de volgende vraag: ‘Hoe kan ik accepteren dat jij bestaat? Dat jij part-of-the-deal bent van mijn bestaan? Ik heb vooral als Don Quichote tegen jouw windmolens gevochten, merk ik nu, omdat ik liever Liefde leef dan Dood beleef.’ Dat is een mondvol en misschien journalistiek niet de beste vraag, maar wel wat me enorm bezighoudt de laatste tijd. Dood neemt een grote teug bier, ik hoor het klotsen en kijk zo onopvallend mogelijk of er geen plasje onder zijn stoel ligt. Niets te zien.
‘Dat is een hele menselijke beweging,’ begint hij, ‘het leven kan je soms zo uitdagen en tegelijkertijd als in een tijdloze treinrit meevoeren zonder dat je er zelf invloed op lijkt te hebben. Zó, dat je gewend raakt aan je omgeving.’ Hij zucht diep: ‘Aan je omgeving, je vaderland, je geliefden, aan alles wat je is overkomen. Dat is voor jou bekend terrein en dat geeft een gevoel van rust en veiligheid. Maar dat is het uiteindelijk niet, want ergens ben je dan vergeten dat je zelf leeft. Jij kunt op elk station overstappen of uitstappen en daar een tijd verblijven. En als je van trein wisselt, verandert je omgeving mee. Dan moet je andere mensen loslaten, omdat zij, al dan niet bewust, hun eigen keuze maken en hun eigen bestemming opzoeken. Tegelijkertijd ontmoet je nieuwe mensen, kom je in nieuwe situaties terecht en krijg je nieuwe kansen op jouw levensreis. Liefde is prachtig Ido en het siert je dat je er zo vol voor gaat, maar het kan ook Lijm worden. Dan blijf je vastzitten aan wat is geweest, dan hou je jezelf achter of terug of in. Je hebt dus de rouw te nemen om los te kunnen laten en opnieuw lief te kunnen hebben.’
Ik word stil, deze woorden heb ik vaker gehoord, maar ik heb ze nog nooit op deze manier gevoeld. Ze komen binnen als scherpe sambal in een rijsttafel, ergens lekker en stimulerend, maar ook te sterk: de tranen springen in mijn ogen. Ik herken de symbiose zo in mijn lijf, zoals ik met Trudy ben samengesmolten tot één entiteit: Trudo. En zoals ik nu de afgelopen vijf jaar draadje voor draadje mezelf losmaak en ruimte voor mij creëer. Precies zoals ik dat na het overlijden van mijn moeder heb gedaan, maar dat lukte me binnen twee jaar.
Dit raakt dan ook stevig aan de band met mijn moeder. Als moederszoon was ik altijd op zoek naar haar liefde, die ik ergens wel, maar vooral niet kreeg. Ik ben wel verpleegd, maar niet verzorgd, schreef ik laatst op. Er was geen emotionele band mogelijk en ik bleef uitreiken. Ik heb niet vrij mogen spelen, mogen gaan en genieten van mijn eigen seksualiteit als kind. Dit werd bijna ontkend bij ons thuis, hier praten wij niet over: Verboden Gebied! Ik voel daardoor een blokkade om mijn volle potentie te nemen, ervoor te gaan. Lust en Leven en Liefde, mijn Levensenergie helemaal te laten stromen. Dat werd versterkt door de rouw om Trudy’s overlijden, in ieder geval de eerste twee à drie jaar erna. Anderhalf jaar geleden werd ik in een zomerweek stiekum verliefd. Ik had het pas door toen de week voorbij was, toen ik naar huis reed. Ineens was er een leeg gevoel, een gemis, heel intens. Ik ben haar nog altijd dankbaar voor de ontdekking dat ik me opnieuw kan verbinden, dat ik weer verliefd kan worden.
Ondertussen draai ik mee in een mannencirkel en heb ik zangles en kom ik steeds meer en beter in contact met mijn eigen kracht. Ik bedank dit deel (het terugtrekken) voor mijn zorgvuldigheid, mijn integriteit, mijn gelijkwaardigheid naar mannen en vrouwen. En ik zal dus elke keer tot onder in mijn buik moeten zakken om mezelf vrij te maken. Om daadwerkelijk te kunnen ontvangen en mezelf over te geven aan het leven. Alsof de dood via mijn ouders hier stilletjes een vinger op heeft gelegd toen ik klein was en ik die lange, magere vinger nu afwijs.
Dood kijkt me ineens bevreemd aan en buigt ver voorover. ‘Heb ik dit hardop gedacht?’ denk ik stil bij mezelf. ‘Kan Dood ook gedachten lezen?’ Maar Dood vraagt me simpelweg om een nieuw glas bier en laat zich rammelend terugzakken in de stoel. Opgelucht loop ik naar de koelkast, schenk ons in en plof neer naast Dood, dichterbij dit keer, ik vertrouw hem wat meer. Ik schraap mijn keel: ‘Hé Dood, ik zit hier net te doen alsof ik met jou in gesprek ben, maar dat kan toch helemaal niet, dit is toch allemaal pure fantasie?!’ Dood legt zijn lange, magere hand op mijn arm en ik bevries, maar dan letterlijk. Alsof de dermatoloog met een flesje vloeibare stikstof mijn halve onderarm koud maakt in plaats van één plekje. Ik hoef mezelf dus niet te knijpen of dit waar is of niet en ik ben blij wanneer Dood zijn hand weghaalt. Ik zucht diep en ga iets anders zitten, toch een klein beetje verder weg.
Er valt een lange stilte. Dan begint Dood te praten tegen me, heel zorgvuldig formulerend, met veel pauzes: ‘Die kritische stem ken je veel te goed, Ido … het is jouw innerlijke criticus … maar eigenlijk de stem van je moeder … de analyticus die spreekt … ‘ Het lijkt alsof er een zelfportret van mij gemaakt wordt, waarin alleen mijn bovenlijf en hoofd bestaan. Ik voel me ingelijst van mijn kruin tot mijn middenrif. Hoofd en hart zijn zichtbaar, ik adem hoog en denk veel, het is hier heel sterk cognitief. Mijn hart doet wel mee, maar vooral voor de ander, niet echt voor mezelf. Ik geef me meer weg dan dat ik aanneem. Ik veroordeel mezelf en rek me uit, maak me groter, ga erboven staan. Stap in de triangulatie met mijn ouders, AU! ‘En analyserend met je hoofd en je hart vergeet je je gevoel … ‘ gaat Dood rustig verder, ‘terwijl dat volop kabaal maakt in jou … luister maar met je hart naar binnen … adem naar je bekken … ‘ Ik ken de weg, maar vooral de omweg naar binnen, ik weet wat sluipweggetjes om daar te komen. Dat zijn de weggetjes van Muziek, van Poëzie en van Verliefdheid. En die weggetjes voelen heel kwetsbaar, heel nabij en intiem, alleen van mij, en daarom verstop ik ze het liefste voor de buitenstaander. Gelukkig tegenwoordig steeds minder. Ik verduur de aandacht, de blikken van de ander wanneer ik kom met een gedicht, een gevoel, een kwetsbaarheid.
‘De weg van het Leven gaat via jouw Lijf Ido … op jouw manier, kijk eens hoe jij het anders doet dan je familie, je naasten, je geliefden … en elke keer zul je door de gevangenis van kritiek moeten breken … de tralies moeten verbuigen om de vrijheid te bereiken … te leven!’ Bij dit laatste woord flikkeren er vreemde lichtjes in de ogen van Dood.
Hij gooit de rest van het bier in één keer achterover, staat op en vertrekt zwijgend. Het lijkt wel alsof hij ineens haast heeft. Ik kan hem nog net zijn zeis aanreiken, anders was hij zonder vertrokken en dat is natuurlijk geen gezicht. Ik blijf nog een tijdje tegen de deurpost leunen en kijk de straat door die lichter lijkt, warmer en toch ook verder weg. Ik pak mijn glas en draai het rond in mijn hand. Ja, ik moet elke keer weer afdalen vanuit mijn hoofd, langs mijn hart, door een bak vol kritiek, zelfkritiek, kritische blikken, schuld & schaamte om mijn gevoel te bereiken. De warmte in mijn buik is pas echt een warm gevoel als ik door de kou heen ben gegaan.
Het was een goed gesprek. Ik ben niet zo bang meer als ik dacht, mezelf wijs had gemaakt, maar het liefst leef ik nog heel wat jaartjes langer zonder de ontmoeting met zijn koude hand of zeis.
Ido, 23 januari 2024